1980 Encre acrylique sépia sur papier, (1980), 23.5 x 13.5 cm.
Reference : 21621
Michel GUIRÉ VAKA , "Sculpteur d'images", (1936-2015), après une formation à l'École Estienne et aux Arts Appliqués débute sa carrière comme illustrateur dans les années 70. Ses premiers pas professionnels, il les conjugue avec l'illustration publicitaire. Ses nombreux dessins pour la presse française et américaine, dont The New-York Times, lui valent une renommée internationale et de nombreuses distinctions dont le Marqueur d'Argent. Sa fibre pédagogique s'épanouit dans ses publications- jeunesse avec Bayard Presse, Hachette, Flammarion, Dargaud ..., que complète son travail de peintre entamé dans les années 90. Son uvre est ainsi répertoriée dans les collections et fonds du Centre Pompidou et du Musée de la Publicité.Michel GUIRÉ VAKA choisit une jolie jeune-femme sensuelle, au décolleté plongeant, pour incarner le symbole de la République Française.
Librairie Chrétien
M. Jean Izarn
178 Rue du Faubourg Saint Honoré
75008 Paris
France
33 01 45 63 52 66
Passez votre commande sans intermédiaire à la librairie ! Contactez nous par téléphone, e-mail ou mieux : Venez nous voir ! Prix nets en euros. Nous acceptons la Visa, chèques français et paiement espèces. Envoi du livre après encaissement du règlement, frais de ports à la charge du client, envoi en recommandé. La librairie est fermée du 1er au 31 Août ...
, picture Publishing, 2016 Gebonden, Hardcover met omslagwikkel compleet. 242 pagina's, full colour, afmeting 265 x 340 . ISBN 9789073187610.
Het werk van het kunstenaarsechtpaar Jean en Marianne Bremers, dat u in dit prachtig uitgegeven boek wordt getoond, is moeilijk te beoordelen. Met de keuze voor de bronzen hebben zij niet de eenvoudigste weg gekozen om hun naam te vestigen. Je kunt er geen wanden mee sieren. Bronzen ziet men als elementen in de openbare ruimten, meestal als herinnering aan vorsten, staatslieden, verzetsstrijders, glorieuze legeraanvoerders of admiraals. Overigens: waarom worden te respecteren bevelhebbers van de verliezende partij in hun moederland zelden geeerd met een beeld? Bronzen koppen van teruggetreden bankiers, toneelspelers en dirigenten, van burgemeesters etc. worden te over gevonden in kantoren, schouwburgen, gemeentehuizen en musea. Mooi gemaakt, zegt men dan. Goed gelijkend, vakwerk, maar kunst, is het kunst? Over de beantwoording van deze vraag zijn tijdschriften volgeschreven. De laatste decennia waren kunstcritici (wat een raar woord eigenlijk: critici) van oordeel, dat kunst voor alles vernieuwend moest zijn. Donatello?s beroemde David uit 1432(Florence, Bargello) is door de durf om na bijna duizend jaar onthouding te kiezen voor een mannelijk naakt inderdaad baanbrekend geweest, maar met onze ogen bezien is het gewoon een fraai beeld van een wellicht wat geidealiseerde mooie jongen. Aan dit aspect van vernieuwing heeft Johan Huizinga in 1935 een boeiende beschouwing gewijd in zijn beroemde essay In de schaduwen van morgen, een diagnose van het geestelijke lijden van deze tijd. Hij ziet in de trend de rede in versvorm ? herkenbaar van wat op doek en in beeld wordt voorgesteld ? uit te bannen in ruil voor volstrekte vrijheid, voor verzaking van elke band met rede en natuur, een risico voor excessen. Huizinga noemt het een voortdurend haken naar originaliteit een van de kwalen van de moderne tijd. Nu was Huizinga onder invloed van economische malaise en opkomend nazisme een cultuurpessimist geworden en er is met name na de Tweede Wereldoorlog waardering gegroeid voor zeggingskracht, die perfectie te boven gaat (Chagall), voor non-figuratieve kunst ook van soms opmerkelijke kwaliteit. Maar dat binnen deze ontwikkeling ?ismen zijn gegroeid, ?napraterij? omdat de vorm van het vormloze nu eenmaal in de mode was, wordt thans hoogstens schoorvoetend toegegeven. Misschien vinden critici, als zij al niet bij voorbaat de ogen sluiten, de aanpak van de Bremers een repetitie: zwevende figuren, slanke vrouwengestalten, sterke mannen. Doet men hun dan onrecht, ja, maar zij wijzen ons onbewust en misschien ongewild wel in de goede richting. Naar mijn mening kan het werk van JeanMarianne het beste geplaatst worden in de stroming van het manierisme, zoals dat zich in West-Europa tijdens de overgang van renaissance naar barok manifesteerde en waarvan Parmigianino?s Madonna met de lange hals (Florence, Uffizi) een voorbeeld par excellence is. Langgerekte menselijke proporties, gekunstelde poses, en een ietwat sensuele verfijning zijn ook bij de Bremers terug te vinden. Maar waarom staat de naakte jongeling van de befaamde Nederlandse manierist Adriaen de Vries(circa 1545-1626), die werkte aan de hoven van keizer Rudolf 2 te Praag en van de Deense koning Christiaan 4 en aan wie het Rijksmuseum te Amsterdam in 1998 een grote tentoonstelling wijdde, op een ereplaats in het Bayerisches National Museum in Munchen en haalt men de schouders op voor zo?n figuur in het atelier van het boomrijke Brabantse dorp Helvoirt?Ervaart men dat als het verschil tussen renaissance en een neo-imitatie, zoals tussen gotiek en neogotiek? Wekt de uitdaging van technische hoogstandjes voor het vinden van een balans bij gecompliceerde constructies, die van hun werk uitgaat, ergernis? Zouden zij te veel willen laten zien: kijk eens hoe goed we kunnen modelleren en slijpen, hoe bekwaam we zijn in het brons gieten?Maar als dat al zo zou zijn, wat ik niet geloof, dan nog lopen zij in de pas van de oprechte kunstenaar en componist, die zich zijn talenten bewust is. Anders begint men er immers niet aan. Hoe het oordeel ook kan uitvallen: erkenning van het vakmanschap is dan tocht het minste, dukt mij. Voor de artiste komt de artisan. Dat gold zo van zeer oude tijden en het geldt nog steeds. Wanneer men zou wijzen op repeterende elementen, dan ervaar ik dat niet minder bij de zo bewierookte Piet Mondriaan (1872-1944). Zijn abstrahering van de werkelijkheid leidt mijns inziens tot een herhaling binnen een stramien van horizontalen en verticalen, waarbij lijnen wat verschuiven, zich splitsen, verdikken, verdunnen, waarbij standaardkleuren binnen de rechthoeken van plaats wisselen. Bewonderaars juichen juist om deze kleine variaties, maar na een zaal ervaar ik het als steeds meer van hetzelfde, als kunst(je). Trouwens: bij de Bremers zijn er binnen het geijkte patroon opmerkelijke verschillen te zien, als de schouwer ze tenmiste wil zien. Zelf ben ik wat minder gecharmeerd van de vliegende figuren. Ik vind ze te druk, enigszins ?bovennatuurlijk? als barokengelen, maar realiseer mij tevens dat dit hun bedenkers nu juist onderscheidt van andere beeldende kunstenaars. Als men al bang is voor herhaling, dan zijn juist deze mensen, de zwaartekracht ontstegen, zo kenmerkend voor hun werkplaats. In hun gehele oeuvre zit trouwens beweging, de spanning van spieren, de draaiing van het lichaam, het strekken van de armen, het aandachtig schouwen van het oog.Terugkerend naar het begin herhaal ik de vraag: Schept het echtpaar Bremers kunst? Wanneer het werk van alom bewonderde ?herscheppers? van het menselijk lichaam als Giambologna (1524-1608), Adriaen de Vries, Artus Quellinus (1609-1668), Francois Rude (1784-1855), Auguste rodin (1840-1917), tegen wie JeanMarianne enigszins aanleunen, en George Minne (1866-1941) voor alles kunst is, omdat zij het vak verstonden, dan mag het werk, hoe onderscheiden ook, zonder de minste twijfel kunst genoemd worden en dat te meer nu er een herwaardering groeit voor figuratieve vormgeving in plastiek, in schilder- en tekenkunst. Het mag weer. De Bremers gingen op dit pad door toen het eigenlijk niet mocht. Als vakmanschap meesterschap is, dan zijn zij het meesterschap waardig. Dit boek toont het aan.
Editions de Trévise - In 8 cartonnages éditeur avec leurs jaquettes illustrées en couleurs - La série complète en 6 volumes en très bon état
Marianne, une étoile pour Napoléon (1969) - (476 pages) - Marianne et linconnu de Toscane (1971) - (384 pages) - Marianne - Jason des quatre mers (1971) - (386 pages) - Toi, Marianne (1972) - (382 pages) - Marianne - Les lauriers de flammes 1° partie - (1974) - (320 pages) - Marianne - Les lauriers de flammes 2° partie - (1972) - (318 pages)
, Fonds Mercator/ Mercatorfonds, 2025 Hardback, 220 pages, Dimensions 280 x 230 mm, Language(s) English ed. ** binnenkort leverbaar** ISBN 9789462303911.
Marianne Van Vyve (1943-1991) was a Belgian painter who lived and worked in her hometown of Antwerp. Never affiliated to any particular group, she mainly followed her own artistic inclination, often against the prevailing trends of the time. She chronicled her emotional landscape through her art, in the quiet of her successive studios. This book explores her intriguing work, examining the influence of her academic training on her formative years and outlining her evolution as a painter.
[CLOUZOT (Marianne)]. CLOUZOT (Marie-Rose). CLOUZOT (Marianne).
Reference : 9615
(1946)
Paris SPE 1946 1
Sélection de partitions de la Renaissance au début du XXe siècle, chacune agrémentée d'un texte sur le compositeur et les genres musicaux de l'époque, écrits par Marie-Rose, et d'une aquarelle fraîche et imagée de Marianne. Inf. tâches aux plats.
Editions G. Raoult, 1962. 2 volumes in-4 sous double emboîtage de l'éditeur (28 x 20 cm) recouvert de papier gaufré crème, et sous couverture imprimée et rempilée, 276+308 pages. Magnifique édition de l'uvre majeure de Frédéric Mistral En Provençal et en Français.- illustré de 50 compositions à la gouache ( 2 frontispices et 48 in -texte ) de Marianne CLOUZOT, réalisées par Duval et Beaufumé. Tirage à 915 exemplaires numérotés, celui-ci portant le n° 32 est l'un des 125 exemplaires auxquels a été ajouté une suite en noir avec remarques des illustrations.- 4,4kg.- Les étuis sont en très bon état, bel exemplaire du tirage de luxe avec suppléments.