Brussel, safran, 2019 hardcover, 159 pages, 29,2 x 22,2 cm, Dutch/French/German, English in separate attachment. ISBN 9782874571091.
Het niet zo talrijk bewaard gebleven, Brussels edelsmeedwerk uit de 17de eeuw is voldoende bekend en beschreven. Daarentegen is nog geen omvattend onderzoek gepubliceerd over de producenten van die kunstvoorwerpen. Hier wordt het resultaat van een jarenlang en systematisch archiefonderzoek te kennen gegeven naar het leven en het werk van 466 edelsmeden die in de loop van die eeuw als goud-of zilversmid werkzaam zijn geweest in de Brabantse hoofdstad. De voornaamste bron van inkomsten waren voor al de beoefenaars van de edelmeedkunst uiteraard de bestellingen die ze van verschillende zijden mochten uitvoeren. In eerste instantie waren er de aankopen van kerkelijk en burgerlijk zilverwerk door de openbare besturen, van het Hof, de hofhouding en de rekenkundige diensten van het centraal bestuur. Meerdere gouverneurs-generaal hadden hun eigen hofgoudsmid of schonken, bij Brusselse goudsmeden gekocht, kerkelijk zilver aan de plaatselijke kloosters en kerken. De regionale instellingen, zoals de Raad van Brabant, bestelde zegels en stempels bij Brusselse goudsmeden. De Brusselse magistraat had een eigen stadsschilder maar geen geatitreerde edelsmid. Voor het onderhoud en de herstellingen van het eigen stadszilver, de bestelling van zilveren bekers voor verdienstelijke stadsambtenaren en voor leden van het stadsbestuur die het peterschap hadden aanvaard over een zevende zoon van een Brussels burger, werd eveneens een beroep gedaan op gekende en plaatselijke edelsmeden. Dank zij de bewaard gebleven minuten van Brusselse notarissen leren wij ook de contracten kennen waarbij burgers allerlei edelsmeedwerk bestellen bij goudsmeden in de stad. Het ambacht van goudsmid werd dikwijls bedreven in een beperkt familiaal kader, in die zin dat het van vader op (schoon)zoon, of op een nader familielid werd overgedragen. Uiteindelijk zijn er nog enkele bijkomstige gegevens te vermelden, zoals de woon- en werkplaats van de Brusselse edelsmeden. Toeval of niet, meerdere beoefenaars van dit kunstambacht woonden op de Grasmarkt. Eigenaardig genoeg wordt er geen enkel zilversmid vermeld die zijn woning had op het Zilversmidstraatje. Anderen waren eigenaars van hun huis, of verhuurden huizen in hun bezit. Betrekkelijk veel edelsmeden waren huurders en betaalden een uiteenlopende, waarschijnlijk met de aard van de buurt samenhangende huur. De uithangborden van hun huizen houden niet altijd een onmiddellijk verband met de aard van hun beroep. Het Gulden Slot, de Gulden Fontein, de Diamant zijn van die aard. Toepasselijker was uiteraard de drie Coppen (drie Bekers, trouwens een element van het wapenschild van het ambacht) op de Grasmarkt, de Peerlen Krans (Parelenkrans), het Juweel, de Gulden Wereld op het Kantersteen, en uiteraard het eigen ambachtshuis huis de Spiegel, bij het bombardement van de stad in 1695 grotendeels vernield en met zware leningen opgenomen door het ambacht, weder opgebouwd. Het boek eindigt met een daaruit voortvloeiende index, verdeeld in vijf categorieën: - 1885 namen van personen; - 259 ambachten, beroepen en functies; - 145 technische begrippen en zakenregister; - 464 toponymen; - 222 uithangborden.
Brussel, safran, 2019 hardcover, 159 pages, 29,2 x 22,2 cm, Dutch/French/German, English in separate attachment. ISBN 9782874571091.
Les rares pièces d'orfèvrerie bruxelloise du XVIIe siècle conservées sont suffisamment connues et décrites. En revanche, aucune recherche approfondie n?a encore été publiée sur les producteurs de ces ?uvres d?art. C'est le résultat d'années de recherches systématiques dans les archives sur la vie et le travail de 466 orfèvres qui ont travaillé comme orfèvres ou orfèvres dans la capitale brabançonne au cours de ce siècle. La principale source de revenus de tous les praticiens de l'art de l'orfèvrerie était bien entendu les commandes qu'ils étaient autorisés à exécuter de différentes parts. Il y eut d'abord les achats d'argenterie ecclésiastique et civile par les pouvoirs publics, la Cour, la Maison royale et les services comptables du gouvernement central. Plusieurs gouverneurs généraux possédaient leur propre orfèvre de cour ou faisaient don de l'argent ecclésiastique acheté auprès des orfèvres bruxellois aux monastères et églises locaux. Les institutions régionales, comme le Conseil du Brabant, commandent des sceaux et des cachets aux orfèvres bruxellois. Le magistrat bruxellois avait son propre peintre municipal mais pas d'orfèvre titré. Des orfèvres renommés et locaux ont également été sollicités pour l'entretien et la réparation de l'argenterie de la ville, la commande de coupes en argent pour les fonctionnaires municipaux méritants et pour les membres du conseil municipal qui avaient accepté le parrainage d'un septième fils d'un Bruxellois. . Grâce aux procès-verbaux conservés des notaires bruxellois, on connaît également les contrats en vertu desquels les citoyens commandent toutes sortes d'argenterie aux orfèvres de la ville. Le métier d'orfèvrerie était souvent exercé dans un contexte familial restreint, dans le sens où il se transmettait de père en gendre ou à un proche parent. Enfin, il y a quelques détails supplémentaires à mentionner, comme la résidence et le lieu de travail des orfèvres bruxellois. Coïncidence ou non, plusieurs pratiquants de ce métier vivaient sur le Grasmarkt. Curieusement, aucun orfèvre n'est mentionné qui avait sa maison dans la Zilversmidstraatje. D?autres étaient propriétaires de leur logement ou louaient leur logement. Relativement nombreux les orfèvres étaient locataires et payaient des loyers variables, probablement liés à la nature du quartier. Les signes de leurs maisons n'ont pas toujours de rapport immédiat avec la nature de leur profession. Le Château d'Or, la Fontaine d'Or, le Diamant sont de cette nature. Les trois Coppen (trois coupes, d'ailleurs, un élément des armoiries de l'artisanat) sur le Grasmarkt, les Peerlen Krans (couronne de perles), le Juweel, le Gulden Wereld sur le Kantersteen et bien sûr étaient plus appropriés. la propre maison artisanale Huis de Spiegel, en grande partie détruite lors du bombardement de la ville en 1695 et reconstruite grâce à de lourds emprunts contractés par le commerce. Le livre se termine par un index résultant, divisé en cinq catégories : - 1885 noms de personnes ; - 259 métiers, professions et fonctions ; - 145 termes techniques et registre des entreprises ; - 464 toponymes ; - 222 panneaux.
2. Bruxelles, Archives et Bibliothèques de Belgique, 2005, in-8°, 154 pp, softcover, text in Dutch. Boek in het Nederlands. Published as special issue n° 77 of the periodical '' Archives et Bibliothèques de Belgique - Archief-en Bibliotheekwezen in België''.